Amanipi
Sinds maart van dit jaar wonen Roelof en ik in Amanipi, een klein dorp in het uiterste noordoosten van Congo. Het ligt dichtbij Oeganda en 40 kilometer van de grens met Soedan en aan de rand van het leefgebied van de bevolkingsgroep Lugbara. Een belangrijke hoofdweg verbindt de grens met grotere steden in Congo, en Amanipi ligt zo’n drie kilometer van die weg.


Maar wat is Amanipi nu precies? Op het eerste gezicht zien we alleen het kerkgebouw van de evangelische en twee eenvoudige bakstenen huizen met golfplaten daken. Later ontdekken we dat Amanipi zich uitstrekt over een savanne van meerdere vierkante kilometers met her en der verspreide huizen. Er is zelfs een echt centrum met een katholieke kerk en school. Het duurt even voordat je de mensen vindt, daarvoor moet je echt eropuit trekken.
Rondwandeling
Ik maak een korte rondwandeling door de omgeving, beginnend bij ons huis. Het is fijn om de buren te zien en ze beter te leren kennen. Er loopt een pad van vijftig meter richting het kerkterrein. Rechtsaf gaat naar de kerk maar ik sla linksaf naar het huis van de voorganger. Hij en zijn bezoeker zitten buiten en begroeten me vriendelijk in het Lugbarati, en ik groet terug. De basisgroeten en smalltalk beheers ik inmiddels. Zijn vrouw en dochter zijn druk in de keuken, de kinderen spelen op het erf. De voorganger lacht me toe. Ondanks de armoedige omstandigheden is hij altijd opgewekt. Dat is geen oppervlakkigheid, maar het zit diepgeworteld in zijn geloof in Jezus.



Even verderop kom ik bij een ander groepje huizen, gebouwd in lokale stijl. Hier wonen Anguezu en Sorry met hun gezin. Ik loop het erf op. Er is altijd wel gezellige drukte daar en meestal veel kleine kinderen. Als ik aankom, worden er direct een paar stoelen klaargezet. Je loopt niet zomaar door. Even zitten, dat is Congolese gastvrijheid. Je voelt je altijd welkom en dat doet goed. Ik ga zitten en Sorry en ik maken een praatje .Na een tijdje vervolg ik mijn wandeling.


Het volgende erf is van Alio en Ayikuru, een gezin met vijf kinderen. Alio is bezig met de reparatie van zijn oude motor. Hij heeft het hele motorblok uit elkaar gehaald en zet met veel geduld het hele ding weer in elkaar. Alio is erg handig. Ik sta er met verwondering naar te kijken. Het gereedschap lijkt minimaal, maar het lijkt hem allemaal gemakkelijk af te gaan Hij helpt ons thuis ook vaak met allerlei klussen.

Ayikuru
Op het erf ligt de cassave te drogen die eerst in het water is geweekt. Na het drogen kan het lang worden bewaard. De mensen hier maken er fufu van, ze zijn er helemaal dol op. Ayikuru is er ook met de twee jongste kinderen: Manzedri en Jeremy. De kinderen zijn behoorlijk verlegen tegenover mij. Ze kruipen het liefst weg achter de rug van hun moeder. Ayikuru helpt mij drie ochtenden in de week bij het huishouden: de was doen met de hand, het huis schoonmaken en broodbakken. Ik ben blij met Ayikuru. Zonder haar zou ik de hele dagen zelf in huis bezig zijn omdat al het werk hier met de hand gebeurt.



Samen bekijken we het pindaveld dat Ayikuru heeft aangelegd zonder te ploegen. Ze is heel blij met de 4Pijler-methode. Het bespaart haar veel tijd en geld en ze wordt er veel minder moe van.. Terwijl we zitten te praten, halen de buurkinderen oliepalmvruchten uit de boom. “Maken jullie er palmolie van?” (Dat deden ze altijd in Lanza) “Nee hoor, daarvoor zijn dit te weinig vruchten, we eten ze gewoon op, heerlijk!”
Markt
Woensdag is het markt in Orya, een dorpje dat vier kilometer verderop ligt. Ayikuru en ik gaan er op de fiets naartoe. Onderweg komen we allerlei bekenden tegen en overal maken we even een praatje. We komen langs het centrum van Amanipi. Er zijn motorreparateurs, en er is benzine en sterke drank te koop. ’s Avonds schalt er vaak luide muziek uit grote boxen. De eerste bekenden die we tegenkomen zijn Alio en Anguezu, ze hebben een vergadering in dit centrum. Vervolgens zien we een voorganger van de evangelische kerk. Hij verkoopt benzine.




Uiteindelijk bereiken we de markt. Het is er een drukte van belang met de vrolijkheid en veelkleurigheid die Congo zo kenmerkt. De waren liggen gewoon op de grond uitgestald en de vrouwen zitten er op krukjes naast. Op dit moment zijn de pinda’s pas geoogst. Dus de hele markt ligt er vol mee. Die gaan voor een prikkie weg.



Ik heb alleen wat groente en fruit nodig. Er is veel witte kool. Voor ongeveer 13 cent bemachtig ik een kooltje en voor hetzelfde bedrag een papaja, Dat kost echt helemaal niks! Het is duidelijk, de verdiensten zijn hier minimaal.
Een mundú (blanke) op de markt, dat is een hele bezienswaardigheid! Ik word van alle kanten aangestaard. Veel vrouwen en kinderen zijn erg verlegen en staren me wat argwanend aan. Ik voel me echt een vreemde eend in de bijt. Gelukkig kan ik nu met mijn Lugbarati wat contact maken Een groet in hun eigen taal breekt vaak het ijs. Een paar oudere mannen willen me juist graag even groeten, het liefst in het Frans. Misschien om indruk op mij te maken?


Na wat rondkijken zoeken we onze fietsen weer op. Mijn band krijgt wat extra lucht van een van de fietsenmakers en dan gaan we weer op huis aan. Voor mij is het gemakkelijk op een comfortabele mountainbike. Ik denk aan al die vrouwen die de hele afstand of nog verder te voet moeten afleggen met zware lasten op hun hoofd!
Ik voel me rijk gezegend dat ik hier tussen de mensen mag wonen en werken maar ik besef ook dat er nog een lange weg te gaan is voordat de mensen aan de armoede zullen ontkomen.

























































































































